“Zorgprogrammering is een hype”. Dat betoogt Joost Kruytzer, partner bij Plexus, in zijn column in de vorige nieuwsbrief. Hij voegt hier overigens aan toe dat het wel een heel wáárdevolle hype kan zijn, als je de hype maar aanpast op wat nodig is voor de organisatie. In de praktijk gebeurt dit vaak niet. Vrijwel alle instellingen die zorgprogramma’s ontwikkelen, richten zich primair op de behandelinhoud. Leidend principe is dan ‘de inhoud staat voorop’. Pas in tweede instantie komt het vraagstuk van personele inzet en de financiële gevolgen.
Het risico is een lopend zorgprogramma dat na een jaar te duur blijkt. Of al werkende loopt men er tegenaan dat niet de juiste behandelaren beschikbaar zijn. Lees in dit artikel hoe GGZ Friesland deze risico’s voorkomt.
Door: Olaf van der Heide (GGZ Friesland) en Carlijn Meerkerk (Plexus)
Wat heeft GGZ Friesland gedaan?
Voor GGZ Friesland zijn bovenstaande risico’s de aanleiding geweest om in een vroeg stadium van zorgprogrammering inzicht te krijgen in de financiële en bedrijfsmatige gevolgen van de zorgprogramma’s. Olaf van der Heide, directeur bedrijfsvoering: “Als je je organisatie wilt ontwikkelen en de inhoud centraal wilt stellen, ga je diensten programmeren. Daarbij wil je weten of dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar uitgevoerd kan worden.”
Men ontwikkelt de inhoud en de bedrijfsvoering zoveel mogelijk hand in hand. Dit levert het volgende op:
-
De inzet van personeel is afgestemd op wat nodig is voor het zorgprogramma
-
Je weet dat de zorgprogramma’s op de langere termijn financieel haalbaar zijn
-
De juiste informatie is beschikbaar om met de verzekeraar productieafspraken te maken
Welke aanpak gevolgd?
De eerste zorgprogramma’s die GGZ Friesland heeft ontwikkeld zijn de zorgprogramma’s stemmingsstoornissen en angststoornissen. Deze programma’s zijn ‘doorgerekend’. Plexus heeft het hiervoor benodigde rekenmodel opgesteld. Het schema geeft vereenvoudigd weer hoe deze doorrekening in z’n werk gaat.
Hoeveel FTE nodig en welke disciplines?
Het aantal benodigde FTE en de disciplinesamenstelling is input voor het formatieplaatsenplan. Dit plan is nu gekoppeld aan de huidige productie. Voor de begroting van 2011 wordt dit afgestemd op de zorgprogramma’s. Zo zorgt het formatieplaatsenplan voor een duidelijke link tussen enerzijds welke zorg je biedt en anderzijds hoeveel mensen hiervoor nodig zijn. Een totaal andere manier van bedrijfsvoering aldus Van der Heide: “We hebben hierdoor een objectieve maat van hoeveel personeel er voor de geleverde zorg nodig is.”
Dbc-inkomsten dekken kosten?
Door zorgprogramma’s door te rekenen weten we direct of een programma ook bedrijfseconomisch haalbaar is. De ‘rekenaars’ koppelen de uitkomsten terug aan de inhoudelijke ontwikkelaars van de zorgprogramma’s. Tot dan toe hebben de ontwikkelaars zich met name gebogen over inhoudelijke keuzes. Met de doorrekening zien zij eindelijk de bedrijfsmatige gevolgen. We zien dat de eerste gesprekken hierover leiden tot constructieve discussies tussen inhoudelijken en ondersteuners. Overwegingen komen naar voren als: ‘Er blijkt dat x FTE psychiaters nodig is; is dat wel mogelijk in deze arbeidsmarkt?’ of ‘Is het een idee te gaan werken met nurse practitioners onder supervisie van een psychiater en wat zijn de bedrijfsmatige gevolgen?’of ‘Kan het zorgprogramma in z’n huidige vorm nog kostendekkend aangeboden worden als straks blijkt dat behandelgroepen maar half vol zitten? En welke patiëntengroepen kunnen naar een andere regio reizen voor een groepsbehandeling, mogelijk zelfs met hogere kwaliteit als gevolg van specialisatie, en welke patiëntgroepen niet?’ Precies deze wisselwerking tussen bedrijfsvoering en behandelinhoud maakt de zorg in z’n geheel beter, voor iedereen.
Aantal dbc’s of dbc-mix verandert?
Ook volgt uit de doorrekening het totale budget op basis van dbc’s. Een verwante uitkomst is een overzicht van welke dbc’s in het zorgprogramma voorkomen en in welke onderlinge verhouding. De zorgprogramma’s gaan uit van kort en intensief behandelen waar mogelijk. Naar verwachting is er dan ook een verschuiving zichtbaar van vervolg-dbc’s naar primaire dbc’s. Dit is relevante informatie in de communicatie met zorgverzekeraar omdat hierover productieafspraken gemaakt worden.
Wat is het belangrijkste leerpunt?
De doorrekening volgde nadat gestart is met het werken met de zorgprogramma’s. Hierdoor ging de primaire besluitvorming alleen over de behandelinhoudelijke kant en mis je de samenhang met bedrijfseconomische gevolgen. “In het vervolg krijgt de doorrekening een prominentere plek in de ontwikkeling van het zorgprogramma en wordt het zorgprogramma nog niet uitgevoerd voordat aangetoond is dat het kostendekkend is” aldus Van der Heide.
Wat betekent dit in de toekomst?
Van der Heide: “Straks worden historisch gegroeide budgetten vervangen door budgetten waarvan we weten dat ze haalbaar zijn. De budgetten staan dan niet meer ter discussie en de organisatie kan zich vol gaan richten op doorontwikkeling van zorgprogramma’s en innovatie!” Een goede wisselwerking tussen de inhoudskant en bedrijfsmatige kant, vormt hierbij het gouden koppel.